Vanuit mijn hart klinkt tot mijn Schepper lof,
en met mijn lied wil ik Zijn Naam en eer ontvouwen.
Hij die mij schiep en maakte uit het aardse stof,
Wiens adem mij het levenslicht eens liet aanschouwen.
Die naar Zijn woord de aarde en het gans heelal formeerde,
dat van Hem uitging en nooit ledig tot hem wederkeert.
Hij is de Heer die in Zijn liefde mij Zijn wil en wetten leerde,
Wiens grote trouw oneindig alle leven in Zijn hand beheert.

Verwonderd zie ik ’s Heren scheppingswerk,
dat voor mijn oog Gods almacht mij laat openbaren.
Want aan Zijn macht en kracht is geen beperk,
geen  blijk van zwakte is in Hem ooit te ontwaren.
Het licht van zon en maan en sterren die zo hoog verheven,
zijn spiegel van het licht waarin Hij zelf zo rijk verkeert.
Het hemelrijk waarin Hij door het eeuwig stralend licht omgeven,
door engelen gediend wordt en met jubelzangen wordt geëerd.

Met hart en mond roem ik Gods grote Naam,
geen wezen is en vind bij Hem ooit glans in Zijns gelijken.
Geen mens geen schepsel is als Hij, bekwaam,
getooid met macht waaruit zijn goddelijkheid zou blijken.
Want God is een en enig in Zijn ondoorgrondelijk Wezen,
Hij is begin en oorsprong bron van alles wat geschapen is.
Zijn Naam Zijn grootheid moet alom steeds eeuwig zijn geprezen,
van al wat is kent Hij ontstaan het doel en zin en haar geheimenis.