De schepping spreekt van Gods bestaan,
zo onweerstaanbaar in haar uiten.
Daar blijkt niet aan voorbij te gaan,
ik moet wel tot geloof besluiten.
Want alle dingen zon en maan,
de aarde en wie daarop wonen.
Getuigen wat God heeft gedaan,
wat Hij ons door Zijn woord blijft tonen.

De zon en maan zorgen voor ’t licht,
zij zijn de wachters van de tijden.
Die God voor ons heeft opgericht,
en elke dag ons weer verblijden.
In ’t duister laat God ons nooit gaan,
daar blijft Hij speciaal voor zorgen.
Hij bracht ze aan de hemel aan,
de maan voor ’s nachts, de zon voor ’s morgens.

De sterren aan het firmament,
het uitspansel met zijn planeten.
Maken Gods grootheid ons bekend,
wat van Zijn almacht ons laat weten.
De vele dieren op het veld,
verscheidenheid aan groen en bloemen.
Alles wat van Gods liefd’ vertelt,
dat met de mens Gods naam zal roemen.

Er kan geen spoor van twijfel zijn,
God blijkt van alles de ontwerper. 
Hij weefde ’t scheppingskleed zo fijn,
dat ervaar ik dagelijks scherper.
De aard’ de zee al wat God schiep,
getuigen van Zijn wonderdaden.
Ja al wat God tot leven riep,
mag zich in zorg en liefde baden.